Zo-even kwam ik in de kast het briefje tegen waarop mijn moeder me op zes december vorig jaar weer even in sinterklaas deed geloven, tot ik merkte dat zijn geschrift en haar geschrift dezelfde krullen maakte. Een kwartiertje, hooguit.

Het is toch een sympathiek toeval dat rommel in mijn kasten bovendrijft op momenten waarop het mij het beste uitkomt, ijzersupplementen net voor ik naar de apotheek wil wandelen om nieuwe, de laatste schotelvod als ik mijn vuile wil gaan uitwassen bij een vermoed gebrek aan beter.

Zaterdag komt sinterklaas aan in Antwerpen. Ik heb geen kinderen, ik ben geen kind, ik breng de weekends rond elf november tamelijk honkvast door in Waalse boerengaten, waar de paden modderig zijn en door bossen lopen die ik allemaal in het verleden al gezien heb maar die het gros van mijn gezinsleden verrukken van plezier. Ik hou er ook wel van, maar niet om het slijk en de natte bladeren en de naalden die zich in de zolen van mijn schoenen vastzetten.

Nu, steevast ga ik naar deredactie na de komst van sinterklaas en steevast zegt hij dat er dit jaar geen stoute kinderen waren en dan zal ik beginnen huilen, niet zomaar wat op mijn lip bijten maar echt huilen, inclusief snikken en met mijn wang over mijn schouder wrijven of met mijn schouder over mijn wang om het wat droger te houden.

Het is zo'n mooi doorgedreven stukje theater dat het me doet denken aan Virginia die een brief schreef naar de krant en antwoord kreeg dat ja de kerstman wl bestond, of bij verlenging ook aan die keer toen in de weersverwachting komende dagen per abuis wonderdag stond in plaats van donderdag. Het zou acht graden worden op wonderdag en dat weet ik omdat die ene weersverwachting ingekaderd in mijn huis hangt.

Ik vind de dagen vaak het leukste als mensen op leuke manieren een beetje doen alsof. Het is toch trouwens niet echt doen alsof als er andere mensen het dan gaan geloven, vind ik. Of hoop ik.